Het hongerige oog

Godfried Donkers was thuis aan de eettafel gaan zitten om aan zijn noedelsoep te beginnen, maar nog voordat hij een hap had kunnen nemen, schitterde er iets in zijn ooghoek: de dinerkaars reflecteerde in het glas van de apothekerspot.

Hij deed zijn best om te vergeten dat er achter het glas een lelijk balletje lag, draderig als mozzarella. Bleke slierten dansten als zeewier in het sterk water. Godfried greep de pot en schudde die door elkaar. Kort werd het balletje een onherkenbare waas. Toen het langzaam tot stilstand kwam, keek het balletje Godfried aan.

Er ontstond een jeukend gevoel achter zijn linker ooglid. Het prikkelende gevoel werd vervelender en begon zo intens te branden dat hij de intrusive thought bijna had gevolgd en het ooglapje van zijn gezicht had getrokken, waarna hij de pleister met zijn vingertoppen zou doorboren en zijn nagels in de wond zou drukken totdat alle jeuk definitief was verdwenen en er enkel een vlezige bloem in zijn oogkas over zou zijn. Maar hij hield zich in.

Na de operatie had Zřamoka hem voor dit soort jeuk gewaarschuwd. ‘In het begin is het onverdraaglijk, maar ik kan het nieuwe model pas monteren als je van de operatie bent genezen,’ zei ze. Dat had iets te maken met het metaal-vlees-interface, wist Godfried nog. Maar wat Godfried bovenal had onthouden, was dat het nieuwe model was uitgerust met een hittegevoelige sensor op het netvlies, en dat de lens wel 75x kon inzoomen. Die functies maakten het mogelijk om te bestuderen wat er in de lucht hing.

Er is een vermoeden dat er iets zweeft, hoog boven de stad. Op straat wordt het ‘de zwerm’ genoemd. Het houdt ons nauwlettend van alle kanten in de gaten. De revolutionairen beweren dat we onzichtbaar zijn voor de zwerm wanneer we de stad in rook en smog hullen. “Ik vind dat net zo naïef als de gedachte dat zien en gezien worden van hetzelfde kaliber zijn,” had Godfried ooit opgeschreven. Godfried wilde de zwerm bestuderen, hun patronen leren kennen, zoals zij bij hem deden. Alleen op die manier konden ze terugvechten. Een nieuw oog zou Godfried de vrijheid bieden om te bewegen op basis van wat hij zag gebeuren, in plaats van het blind volgen van de verhalen op straat.

Een subtiel gebons zorgde ervoor dat hij zijn oren spitste. Het was een bekend geluid. Godfried voelde zijn hart naar zijn keel stijgen. Toen hij begreep dat het voetstappen waren die van de gang kwamen, was het al te laat.

Doef! Doef! Doef!

Iemand was hem vanaf Zřamoka hierheen gevolgd! Hij keek om zich heen. Zijn blik ging van het oog in de apothekerspot, naar de noedelsoep op tafel, en terug. Nog voordat het idee als een coherente gedachte kristalliseerde, sloeg hij de apothekerspot van tafel. Met een harde knal spatte het glas uiteen op de vloer en werd zijn appartement gevuld met de geur van alcohol. Tussen de scherven lag zijn oude oog, op de grond. Als hij zometeen de deur opende en het oog door zijn onbekende gast werd gezien, was het einde oefening. Dan zouden ze hem oppakken en martelen tot ze Zřamoka’s operatiekamer wisten te vinden.

Met ingehouden adem leunde hij voorover en raapte het slijmerige oog van de grond. De glasscherfjes op het oogwit probeerde hij met trillende vingers te verwijderen alsof het de laatste stukjes eierschaal waren.

Doef! Doef! Doef!

Het gebons werd nu zo hard dat de deur elk moment uit zijn scharnieren zou breken. it paniek wierp Godfried het oog in de noedelsoep. Hij liep naar de deur en opende die voor een man in uniform die het appartement direct binnen stapte.

‘De naam is Arkadiusz,’ zei hij zonder een seconde te wachten. De man hield een badge omhoog. Inspecteur Arkadiusz’ blik ging naar Godfried’s ooglap, waarna hij vreemd glimlachte.

‘Heeft u gevochten?’

‘Traangas van de rellen bij Axioom,’ loog Godfried. Hij transpireerde opvallend veel, ‘Ik was onderweg naar huis en raakte er bij toeval in verzeild.’ Hij legde zijn hand op het ooglapje, ‘Ontsteking.’

De inspecteur ging er niet verder op in. Hij had zijn aandacht inmiddels op de spetters en scherven op de vloer gericht, en snoof.

‘Goed dat u een raam open heeft. Als die isopropyldamp de kamer verzadigt kan uw dinerkaars de boel zomaar in lichterlaaie zetten,’ constateerde hij. Zijn blik gleed van de glasscherven naar de kom noedels. Ineens veranderde zijn houding. Hij keek Godfried ernstig aan.

‘Ik zie dat ik mij moet verontschuldigen. Uw eten wordt koud, meneer Donkers. Ik zal u verder niet storen.’

Zo snel als de ambtenaar was gekomen, was hij ook weer verdwenen. Pas toen zijn voetstappen niet meer hoorbaar waren, durfde Godfried zich weer vrij te bewegen. Hij veegde de druppels van zijn voorhoofd en sloot de deur. Toen ging hij staan op de plek waar de ambtenaar de kamer in had gekeken. Zijn blik gleed van de scherven naar de onaangeroerde soep, waar hij zijn oude oog tussen de noedels zag drijven.

Godfried Donkers schold hard. Zijn situatie was ontdekt. Het was over. De ambtenaar had het bewijsmateriaal gezien en zou snel terugkeren met versterking. Als hij hier bleef, zou hij opgepakt worden. Gemarteld worden. Tot ze Zřamoka hadden gevonden. En dan zouden ze Godfried als een afgedankte vleeslap in de rivier dumpen. Ze waren uit op Zřamoka’s uitvinding. Het oog. Verstopt in de diepste kerker zou ze de rest van haar jaren uitzitten op de rand tussen leven en dood.

Godfried wist dat hij moest vluchten, maar waarheen? Hij kon niet naar Zřamoka gaan om haar te waarschuwen. Ze zouden hem volgen. Die tweede behandeling—de montage van het nieuwe oog—kon hij wel op zijn buik schrijven. Nee, om Zřamoka te beschermen, kon Godfried alleen nog naar haar toe als hij eerst volledig van de aardbodem was verdwenen. Daarvoor moest hij al het bewijsmateriaal vernietigen. Pas als Godfried door de autoriteiten dood was verklaard, zou hij weer bij haar terugkomen. Pas dàn zou zijn nieuwe oog worden gemonteerd.

Maar hoe gum je jezelf uit? dacht hij.

Hij kon het niet riskeren om zijn oude oog uit de soep zou vissen en uit het raam te gooien. Dan zouden de autoriteiten morgen een verdacht, grijs rozijntje op de stoep vinden. Het bewijsmateriaal moest definitief verdwijnen.

Er klonk gerommel uit zijn buik.

Zonder helder na te denken viste hij het oog uit de soep en stopte het in zijn mond. Hij sloot zijn lippen en voelde met zijn tong over het natte hoornvlies. Het gleed langs zijn tandvlees en toen het in zijn wangen lag, zoog hij er even op. De smaak was mild, een hint umami. Hij klemde het oog tussen zijn kiezen. De veerkracht van het orgaantje deed hem denken aan een geaderde snacktomaat met een dikkere huid. Toen hij per ongeluk iets te hard zijn kaken op elkaar drukte en de taaie sclera brak, voelde hij hoe de gelatineachtige lens op zijn tong smolt en een smaak door zijn mond verspreidde die hem deed denken aan een snotrochel. Godfried begon apathisch te kauwen, te malen, en na verloop van tijd was het oog in brokjes doorgeslikt en onderweg naar zijn maag. De rest van de noedels liet hij staan.

Niet alleen zijn oude oog was bewijsmateriaal dat vernietigd moest worden, ook dit appartement moest er aan geloven. Hij keek naar de vloer, waar de scherven in de uitdampende isopropyl lagen. Hij nam de dinerkaars van de eettafel en liet het in de plas vallen. Met een woesj vatte de vlek op de vloer vlam. Godfried bleef kort staan kijken hoe het vuur de poten van de eettafel likte, terwijl hij met zijn tong de laatste brokjes gemalen oog achter zijn kiezen vandaan peuterde, waarna hij de deur sloot en via het trappenhuis het appartementencomplex vertrok.