I: De vloek van Heiligerlee

Hoog boven de weg die Melchior Bratan doorkruiste dansten wolken zo langzaam dat het voor een haastig oog praktisch onzichtbaar was. Toch kende hij dit schouwspel en hij wist dat deze vergankelijkheid en vervorming zichtbaar waren voor iedereen die met geaarde voeten aandachtig naar boven tuurde. Zo bekend als dat het beeld van de overdrijvende wolken was, zo ondoorgrondelijk was het. Zelfs een geoefende schildershand kon deze dans lastig vangen op canvas. Niet alleen ontbraken de meeste pigmenten de intensiteit, waardoor de kleuren niet uit het doek sprongen zoals ze uit het firmament der natuur sprongen, ook het penseel streek niet gemakkelijk op de bescheiden doch pompeuze manier over het doek. De kunst lag hem erin om geen halfbakken compromis te leveren, maar een krachtige balans te vinden tussen een ingetogen donswolkje en de gigantische titaniumwitte bloemkolen die geruisloos in het blauwe hemelgewelf daverden.

Melchior zag de groene heuvels, en liep langs de bomen, onder de bovenhangende wolkenpartij. Al ritselden de bladeren weliswaar in de wind—en wanneer het harder ging waaien, klonk uit de stammen een diep kraken—de bomen keken net als Melchior in stilte toe. Vandaag klonken er geen melodieën van broedende merels uit het gebladerte. Er hing iets in de lucht, en dat wist Melchior ook.

De stilte werd meegenomen door de wind, langs de molens, de weilanden, de akkers, en de slootjes waar het riet deinde. De kikkers en krekels en alles wat leefde leek gade te slaan wat er gebeurde.

Naast Melchior openden de bomen zich naar glooiende grasvelden, en voor hem lag, op de heuvel, een klooster. Nadat hij had gezien hoe het zonlicht haar gesteente verwarmde, en hoe de planten moedig de muren beklommen, en nadat hij had herkend hoe zij daar, op de heuvel, eenvoudig, bescheiden en trots stond en hoe haar gouden windhaan op de spits glom onder het fantastische wolkendek, wilde Melchior zijn pas voortzetten naar het klooster, maar plotseling vloog een zwerm zwarte vogels uit de boomtoppen op met een angstig gekras, en voelde hij vanuit zijn botten de noodzaak om met ze mee te vluchten, weg te rennen, de lucht in. Melchior hunkerde te vluchten, maar zijn voeten bleven vastgenageld aan het pad.

En daar was het.

Kort nadat de vogels waren gevlogen, klonken trommels van achter de heuvel. Het duurde niet lang voordat marcherende gedaantes zichtbaar werden op de heuvelrug. Ze keken tegen de zon in, en Melchior zag dat ze bruine, soms beveerde, hoeden droegen en kledij in bonte kleuren en ze hielden lange speren, pieken en hellebaarden vast.

De trommels kwamen over de heuvelrug.

Onder het aanzwellende geweld van trommels liep een gehele infanterie traag en dreigend over de heuvel. Ze rolden smalle kanonnen op houten wagens vooruit, en hielden wapperende vlaggen met verschillende kleuren, patronen en vlakken op, en Melchior zag hoe de slagwerkers met dikke stokken op hun gespannen vellen sloegen.

Het drummen dreunde in zijn keel. Melchior bleef kijken. De linie brak open om aanvoerders te paard door te laten. Het geklop van hun hoeven op de heuvelrug deed hem huiveren. Even hielden de rossen halt en de aanvoerder, gehuld in een onyxzwarte borstplaat en een helm met oranje pluim, keek uit over het land.

Al Melchiors ledematen verstijfden.

Zij zetten voort, en de heuvel werd overspoeld door een volledig leger, bewapend met pieken, musketten, zwaarden. Naarmate ze aan de voet van de heuvel kwamen, maakten zij meer vaart. Ze begonnen te schreeuwen, maar niet naar Melchior die er daar nog versteend stond, maar naar een punt achter hem. Toen Melchior dat opmerkte, draaide hij zich om en tot zijn grote angst bleek dat hij was ingesloten tussen twee legers.

Ook van achter hem kwamen zij, met hun vlag—een scharlaken gekarteld St. Andreas’ kruis op ivoorwit doek—en wapens. Een fantastische knal scheurde de lucht in stukken. Witte rookpluimen stegen op. Kogels vlogen langs hem heen en Melchior dook ineen, angstig voor wat komen zou. Bibberend zag hij door zijn vingers hoe beide legers elkaar—dus hem—naderden. Hij wist dat hij hier niet kon blijven, maar nadenken in het verpletterende lawaai was onmogelijk. Als hij niet snel maakte dat hij wegkwam, zou hij vertrapt worden door paardenhoeven of aan hellebaarden geregen worden. Melchior keek radeloos om zich heen. De wanhoop steeg naar zijn borstkas en drukte zich er zo ver mogelijk uit. Bomen, heuvels, de sloot—de sloot! Melchior sprong. Hij had geluk, want een musketsalvo miste hem, maar voordat hij in de sloot terechtkwam, scheerde de punt van een lans van een ruiter te paard lelijk langs zijn elleboog. Zijn huid scheurde open en er ontsnapte een bloederige kreet uit de diepste grotten van zijn lichaam terwijl hij ter aarde stortte. Zijn lichaam viel in een greppel, in de modder. Daar, in de luwte van de strijd, hoorde hij de legers het geweld voortzetten. Hij opende voorzichtig zijn ogen en zag hoe het blauwe hemelgewelf achter overwaaiende rook van kanonnenvuur werd versluierd, tot ze uit zijn zicht verdween.

Knallen, schoten, metaal tegen metaal, de geur van kruit en bloed; paarden hinnikten, steigerden, vielen dood ter aarde; mannen kermden van de pijn, doodsschreeuwen die plots stopten.

♈︎

Veel waren er gestorven. Melchior werd naar een ziekenboeg in Winschoten gedragen en kwam te liggen naast jonge soldaten, veel te jong: hun ogen waren nog onrijp voor het gevecht dat ze zojuist hadden meegemaakt. Het waren jongens wier ogen geschrokken stonden maar die niet reageerden, doof of blind waren geworden, handen aan stukken waren gereten, of wier benen diepe vleeswonden hadden; veel dieper nog dan de stekende wond in zijn elleboog.

Twee mannen gingen gezamenlijk de gewonden langs. De ene man stelde vragen aan de gewonden, hij had een donkere snor en sik, en terwijl hij vragen stelde, doopte hij een ganzenveer in een inktpotje en noteerde de namen van de gewonden. Na kort te praten doopte hij de veer in het potje inkt en overhandigde hij het schrijfgerei met het stukje beschreven perkament en liet hij de soldaten een contract ondertekenen. Veel soldaten konden niet lezen of schrijven, dus moesten zij op basis van zijn uitleg begrijpen waar het document voor dienden, en dan zetten zij vervolgens een kruisje of tekende een symbooltje.

De andere man stond er stil naast en bestudeerde de patiënten met een vreemde glimlach op zijn vlezige lippen. Het werd Melchior pas duidelijk wie deze zwijgende man was toen zij bij hem kwamen staan.

‘Wat is dein naam, huurling?’ werd hem gevraagd.

Nadat Melchior antwoordde, kraste de man haastig in het document en daarna keek hij Melchior streng aan. Hij werd de ordonnans, vertelde hij.

‘En het feit dat u hier bent, in deze ziekenboeg, betekent dat u dapper heeft gestreden,’ zei de ordonnans alsof hij het niet helemaal geloven wilde, ‘De vijand heeft verloren. Wij mogen verheugd zijn dat de invasie is begonnen. Zoals overeengekomen, heeft de prins een beloning uitgeschreven aan alle huurlingen die hebben geholpen in zijn strijd tegen de Spanjaarden. Zo ook aan u.’

Waar een helder denkend mens zich af zou vragen of ‘De vijand is verslagen!’ niet altijd de uitkomst van een slagveld was—uitzonderlijke gevallen daargelaten—kwam dat niet bij Melchior op. Er gingen op dit moment weinig gedachten door zijn hoofd, het enige waar hij mogelijk aan kon denken was aan de verschrikkelijke pijn die hij in zijn rechterelleboog voelde, een stekende pijn, alsof zijn elleboog met een lange splinterige staak werd doorboord, maar heel langzaam en de spaak draaide terwijl het zijn elleboog doorboorde. Hij was vast dapper geweest in die stinkende moddersloot, waar lichamen om hem neerstortten en de rottende prut zijn wonden vies likte. Uiteindelijk was hij gered, als door een wonder, uiteindelijk wel, en uiteindelijk lag hij nu hier, maar Melchior kon op dit punt niet veel anders dan het lot aanvaarden zoals het hem nu toekwam, dus hij knikte braaf.

‘Ge aanvaardt het door hier te tekenen met een kruis of een symbool,’ zei de ordonnans terwijl hij Melchior de veer aanreikte en het document voor zijn neus hield. Met zijn wijsvinger wees hij naar de plek waar hij de krabbel verwachtte. De vlekkige letters die de ordonnans met de bruine inkt op het perkament had gezet moest Melchiors eigen naam voorstellen, maar Melchior kon het nauwelijks lezen, niet alleen vanwege de gruwelijke pijn, maar ook omdat het handschrift van de ordonnans op een stel gestempelde hanenpoten leek.

Hij tilde zijn rechterarm op om de veer aan te nemen, maar direct had hij spijt. Een pijnsteek schoot vanuit zijn arm in zijn schouder en het was alsof zijn hart exploderen kon. Hij liet zijn arm vallen en de veer viel bijna uit zijn hand. Bruine inkt spetterde op het bed. In zijn vingers, gevoelloos en koud, lag de ganzenveer te rusten. De ordonnans hield het document op een gemakkelijke plek zodat Melchior het kruisje kon zetten. Melchior vermande zichzelf en nadat hij met scherp gekras zijn kruisje had getekend, terwijl hij een helse pijn ervaarde, verbeterde hij zijn eigen naam nog kort en liet hij ten slotte zijn rechterarm uitgeput op het bed vallen. Het zweet brak hem uit, hij hijgde, hij kermde.

De ordonnans keek met een schuin oog op het document. Hij schraapte zijn keel. ‘Helaas moet ik vermelden dat de huidige omstandigheden er niet naar zijn dat wij u de beloning direct kunnen overhandigen, maar wat wij wel voor u kunnen doen is u voorlopig verzorgen. De kosten van onder meer de chirurgijn zullen dan worden verrekend met uw tegoed. Gezien de penibele toestand van uw arm zult u behandeld moeten worden. Als ik het goed begrijp heeft u een kleine kans op overleven, gezien de prut in uw wond.’

De ordonnans zocht erkenning in de blik van de andere man, die op zijn beurt ernstig Melchiors elleboog bestudeerde. Tot nu toe had hij gezwegen, maar nu kwam hij plots dichter bij het bed staan.

‘Mag ik?’ vroeg hij wijzend naar de onzorgvuldig omheen gewikkelde zwachtel.

Melchior knikte, zijn ogen gesloten, de pijnscheuten afwachtend.

De man wikkelde de zwachtel voorzichtig af en terwijl de lagen verband minderden vulde de lucht zich met een weeïge geur. Het laatste stuk stof plakte aan zijn huid als het vlies aan een gebraden worst. In de stof was een bruine vlek ontstaan. Het vlees rondom zijn wond gloeide rood en een gelige smurrie was in korsten aan het verband opgedroogd, maar toen de chirurgijn het er met een akelig rukje aftrok, zag iedereen dat er nog meer witte drab in zijn zwartgeworden wond was verzameld. De ordonnans deed een stap uit de richting en vermeed het zicht door zich bezig te houden met een van de houten balken waar een stekje kruiden droogde, terwijl de chirurgijn juist op een angstaanjagend verheugde manier de zoetzure lucht opsnoof.

Na het ranzige lapje stof te hebben weggelegd, drukte hij zijn vingers zachtjes tegen de huid; Melchior voelde het branden alsof er heet metaal door het vlees werd gedrukt, siste en trok zijn elleboog weg, maar van de beweging kreeg hij direct spijt. Met zijn vingertoppen drukte de chirurgijn, die met een andere hand Melchiors arm stevig tegen het bed drukte, in de rode huid rondom de wond, en trok de huid open alsof het oogleden waren. Hij keek in de etterende wond en concludeerde dat Melchior diep geraakt was. ‘Uw bloed heeft zich vermengd met het vuil uit dit drassige, vervloekte land. Zonder ingreep overleeft u het niet.’

Hij liet de wond weer los en trok een eigenaardig gezicht. In zijn ogen glinsterde een vreemd verlangen en ondanks dat Melchior die blik in zijn ogen had gezien en er destijds een verre stem was geweest die zich actief had afgevraagd wat er op dat moment in het hoofd van de chirurgijn afspeelde, wist Melchior toen ook dat het niet uitmaakte wat hij zou gaan zeggen: deze chirurgijn, hoe vlezig zijn lippen ook waren, wist de situatie waarschijnlijk beter in te schatten dan hijzelf.

‘Dus de keuze is aan u,’ concludeerde de ordonnans.

Het was medische hulp of de trage dood tegemoet gaan. Voor zover Melchior een eigen wil had, stemde hij mee in het medische traject. De ordonnans knikte tevreden.

‘Dan moeten we niet te lang wachten. De vervloeking van uw arm zal zich verspreiden door uw hele lichaam. We moeten de langzame werking van de vloek voor zijn,’ zei de chirurgijn, ‘Over een klein uur wordt u door mijn assistenten opgehaald.’ Hij sprak over een procedure. Een woord dat Melchior niet begreep. Toen hij hem vroeg wat de chirurgijn bedoelde, zei hij dat hij het allemaal uit zou leggen voordat hij van start ging, en dat Melchior zich absoluut geen zorgen hoefde te maken.