Proloog
De hervorming van Melchior Bratan ·Door ambitieuze oorlogen en politieke huwelijken had zijn familie in de loop der eeuwen een grote hoeveelheid erflanden bij elkaar verzameld: een heuse natte droom voor de vele hebzuchtige wereldveroveraars die de mensheid in andere tijden zou gaan zien, en nadat hij zijn moeder voor gek verklaarde en in een toren opsloot, erfde Karel het Habsburgse keizerrijk: de Boheemse heuvels, delen van het Iberische schiereiland, het oude Rome en de Lage Landen waren nu van hem, en overzees, in de Nieuwe Wereld, strekte het rijk van de Inca-tempels in het zuiden tot de ongerepte natuur in het noorden, waar het water al miljarden jaren diepe kloven etste in het oranje gesteente.
Keizer Karel V had geen idee welke werelden hij allemaal in zijn beheer had, maar wilde zich er toch zo goed mogelijk over ontfermen, dus reisde hij gedurende zijn leven door het Rijk en leerde de vele talen van zijn volk spreken.
Door zijn drang om zijn keizerrijk te verkennen verloor hij een ogenschijnlijk nietszeggend stuk land uit het oog. Onder haar bewoners was een idee ontstaan wat zich langzamerhand verspreidde als een ziekte: het protestantisme.
De keizer wist dat sommige adel graag flirtten met zulke modegrillen, omdat dat populariteit onder het volk aan kon wakkeren, maar zelf wilde hij niet te veel met deze ideeën spelen. Bovendien moest hij zich bekommeren met het winnen van allerlei conflicten met andere landen, die veelal werden uitgespeeld in de vorm van oorlogen op het front, waarbij talloze soldaten sneuvelden.
In 1544, tijdens de Frans-Italiaanse oorlog, bijvoorbeeld, sneuvelde René van Nassau-Chalon, een kinderloze graaf. Hij was de zoon van Hendrik van Nassau, die een broer was van de Duitse Willem de Rijke.
Het bericht van zijn overlijden bereikte Duitsland, slot Dillenburg om precies te zijn, en uit het testament bleek dat René zijn bezittingen in Brabant en Holland aan zijn neef, de oudste zoon van zijn oom Willem de Rijke had geschonken.
De oudste zoon van de berekenende Willem de Rijke en de de vrome Juliana van Stolberg was vernoemd naar zijn vader. Bij de doopceremonie van de jonge Willem, die volgens de katholieke ritus werd uitgevoerd, preekte de door zijn vader verkozen hofkapelaan protestants. De vereenzelviging van tegenpolen was dus al vroeg onderdeel van zijn naam: een voorteken voor de rode draad die door zijn leven zou lopen.
Toen het nieuws de jonge Willem bereikte dat hij de bezittingen van zijn oudere neef René erfde, bleek ook dat hij het Franse prinsdom Oranje kreeg. Deze titel droeg hij van meet af aan met eer, en men diende hem vanaf deze dag prins Willem van Oranje te noemen; een titel die hem boven zijn standgenoten—de hertogen en graven—verhief en daardoor een bron werd voor onrust en eerzucht.
Omdat de inmiddels 44-jarige keizer Karel V niet wilde dat de jonge Willem in de voetsporen van zijn Lutherse vader zou treden—zeker niet nu de jongen plotseling zoveel potente macht had gekregen—stuurde hij hem naar het katholieke hof te Brussel om op te groeien volgens de manier die daar gebruikelijk was.
En zo verhuisde Willem van Oranje van het ongecompliceerde Dillenburgse slot naar het weelderige Bourgondische hof, waar hij onder de intrigues en kuiperijen van de Habsburgers zijn oprechtheid gauw afleerde en inruilde voor een uiterlijk katholicisme waarin het vervullen van de vorm belangrijker was dan de vroomheid die zijn moeder hem had bijgebracht. Ondanks dat de elfjarige Willem nog steeds zeer vatbaar was voor indrukken, was het moeilijk om de vorming die hij van zijn ouders had meegekregen, waarin hij de rijkheid en complexiteit van het compromis had leren waarderen, los te laten voor het denken in absoluten.
De jonge prins groeide op tussen de adel en hofhouding te Brussel, waar hij aansloot bij het keizerlijk kabinet, en de listige diplomatieke onderhandelingen bijwoonde. Al gauw maakte hij het Machiavellistische gedachtegoed eigen: men moest in de politiek ten alle tijden hun aard weten te verbloemen.
Terwijl hij, woonachtig in het meest luxueuze paleis te Brussel, verwend werd met banketten en peperdure kleding, leerde hij de ridderlijke kunsten van het zwaardvechten en valkenjagen. Hij had de mooiste jachthonden en raspaarden, de zeldzaamste gewassen, dronk bier in overvloed (naar verluidt kon de jongvolwassen prins van Oranje zo hard zuipen, dat de alcohol nog altijd door zijn adellijke bloed giert) en at van de beste koks van alle hoven in Europa. Willem kreeg meer dan waar hij in Dillenburg ooit van had gedroomd en zijn maag werd gevuld met dranken en spijzen in overvloed.
In zijn adolescentie was Willem een knappe man, vrolijk, en een beminnelijk ridder, allerminst gesloten, en een zeer welbespraakt erudiet. Keizer Karel V was zeer op hem gesteld geraakt en besloot dat Willem moest gaan trouwen met de dochter van een goede veldmaarschalk. Rond de tijd dat zij trouwden werd Willem kapitein van een cavalerie, waarna nog vele promoties volgden. Hij was trouw dienaar van de keizer, en die was dan ook erg op hem gesteld. In 1555, toen Willem als generaal van twintigduizend man op veldtocht was om de Franse stad Bayonne te belegeren, ontbood keizer Karel V hem naar Brussel.
Al enige tijd verminderde de gezondheid van de keizer, en tot de teleurstelling van de vorst moest hij afstand van zijn troon doen ten gunste van zijn zoon Filips II, en de keizer verwachtte Willem bij de abdicatie.
En terwijl de vermoeide Karel V zijn laatste woorden als keizer van het Habsburgse keizerrijk met de aanwezigen in de zaal deelde, leunde zijn hand op de schouder van Willem. Na te zijn uitgesproken, viel er een weemoedige stilte in de zaal. De ogen van Karel V glinsteren van tranen. Filips zou nu de troon betreden om voor het eerst te spreken als koning.
Willem had Filips al eens ontmoet, maar nu zag hij in de Spaanse prins enkel een mager lichaam, smalle schouders, spillebenen, dun haar, aarzelende bewegingen en zijn ogen waren als sleutelgaten waarachter een wereld onder een grote angst gedrukt ging. Zijn mistroostige lichaam was niet meer dan een kooi van vlees en bloed, waarin een overweldigende wroeging een ziel verteerde. In tegenstelling tot zijn in Brussel geboren vader, werd Filips geboren in Spanje. Omdat Karel V altijd door het rijk reisde, groeide hij zonder vader op. Zijn moeder en enkele heilige vrouwen voedden hem op, waardoor zijn religieuze overtuigingen al op vroege leeftijd een diepgeworteld onderdeel van zijn denken waren. Op zesjarige leeftijd werd hij ridder van de Orde van het Gulden Vlies. Op zeventienjarige leeftijd werd hij vader en enkele dagen later werd hij weduwnaar. Daarmee had zijn God een onvoorstelbaar gat in zijn hart geslagen: het bleek dat, zo vroom als dat hij altijd had geleefd, het niet voldoende was geweest voor zijn God, en al doende ontstond met de verscheurende pijn een heftige begeerte om het weer goed te maken met zijn Heer.
In Brussel, op het spreekgestoelte, stamelde Filips als troonsopvolger enkele woorden Frans, daar hij de volkstaal niet sprak, waardoor hij zich direct minder geliefd maakte dan zijn vader. Ongemakkelijk en beschaamd stapte Filips naar achteren en droeg het woord over aan zijn adviseur Antoine Perrenot de Granvelle, en toen de adviseur voor de hem sprak, keek de prins van Oranje met een flauwe schijn van een grijnzen toe naar het verborgen schaamrood op de kaken van de Spaanse prins—nu koning. Filips kon zijn eigen volk niet eens toespreken. Wat moest hier toch van komen?
In de jaren na deze beëdiging werd het duidelijk dat er een storm aandiende boven de Lage Landen. Filips II trok zich in 1559 terug naar Spanje, waar hij zich in El Escorial huisvestte, een paleis vol jaknikkende adviseurs en gehoorzame lakeien. Hij stelde Margaretha de Parma aan als landvoogdes voor de Lage Landen in Brussel. Zijn trouwe adviseur Granvelle zou als voornaam raadgever voor de landvoogdes dienen.
Ondanks dat de regering zich in Brussel bevond, wilde Filips—de eminence grise die El Escorial zelden verliet—precies weten met welke inkt er in de kloosters werd geschreven, en keurde hij zelf met irritante zorgvuldigheid de steensoort die in de straten van Antwerpen kwam te liggen. Zijn gezag duldde geen tegenspraak en zorgde voor een stroperig regime omdat de invoering van nieuwe regelgeving werd gelimiteerd door de snelheid van de correspondentie met El Escorial. Zo hield de koning zijn rijk in een vaste greep terwijl hij haar halsaderen beknelde als een kind dat haar pop doodknuffelt. Om het koninkrijk in 1560 uit een faillissement te tillen, voerde Filips hogere belastingen in.
Willems afkeer tegen koning Filips II groeide, en dat uitte zich in een weerbarstigheid jegens Granvelle, die in Brussel immers de wil van de Spaanse koning belichaamde, want terwijl Willems standgenoten van de hoge adel in Brussel steeds meer afzijdig werden geschoven, zag raadsheer Granvelle juist zijn invloed groeien omdat Filips met goedkeuring van de paus een nieuwe kerkelijke indeling invoerde waarin Granvelle—de raadsman van Filips—werd benoemd tot kardinaal, zodat zijn stem in het vervolg voor die van de hoge adel, en dus Willem van Oranje, kwam te staan. Willem, die sinds zijn komst in Brussel altijd boven de adel had gestaan vanwege zijn prinsdom, was hiermee op zijn tenen getrapt.
De Spanjaarden waren niet enkel het middel waarmee Filips II het land zou plunderen door hoge belastingen in te voeren, maar ook dienden zij—met name Granvelle—als de sleutelfiguren die het protestantisme zouden gaan aanpakken door onder andere kettervervolgingen in te voeren. Filips II verdedigde de katholieke kerk veel fanatieker dan zijn vader, en omdat hij het protestantisme door het gehele Spaanse Rijk zag woekeren, besloot hij ex cathedra het te verdelgen in de naam van zijn God. Hij vervolgde ketters met een gruwelijke meedogenloosheid. Het rijk, vond de koning, moest uniform zijn: één rijk, één godsdienst! Alle protestanten—Luthers of Calvinist—, alle joden, alle moren, alle heidenen: het waren allemaal zondaars, zij moesten worden beboet, aan de kaak worden gesteld, aan de schandpaal worden genageld, en als zij zich niet bekeerden moesten zij simpelweg worden weggewerkt. Hun bestaan in het Spaanse rijk alleen al toestaan voelde voor de koning als godslastering omdat zijn rijk daarmee onzuiver zou zijn, en in verlenging daarvan hijzelf.
Naast de belastingverhogingen, vluchtten de protestantse handelsrelaties weg uit de Lage Landen omdat zij zich niet meer durfden te vertonen uit angst voor vervolgingen, en zodoende begonnen kooplui zich te beklagen. Het was noodzakelijk om in actie te komen, dus werd er een alliantie tussen katholieke en protestantse edelen opgericht om voor de kooplui op te komen. Nadat Willem van Oranje zich bij dit Verbond der Edelen aansloot, dienden zij enkele smeekschriften in bij Margaretha de Parma waar zij verzochten om de naleving van de plakkaten te verzachten, en om de ontbinding van de inquisitie.
Alsof de hemellichamen zich op dit moment hadden uitgelijnd, dreef de sudderende haat en woede van de behoeftige burgerij op als in een kokend springtij. De golf begon bij het werkloze proletariaat in Zuid-Vlaanderen en vloog in enkele weken door de Lage Landen, waar het in Groningen eindigde. Talloze katholieke kerken, kloosters en abdijen werden vrijwel gelijktijdig met de indiening van de smeekschriften bestormd: beelden en crucifixen werden tegen de grond geworpen, altaren verminkt, schilderijen bekrast, orgels en koorgestoelten afgebroken, het glas-in-lood gestenigd, Bijbels verscheurd of verbrand. Niet alleen de protestanten, maar alle ontevreden burgers namen deel aan deze iconoclastische cri du coeur.
Ondanks dat de door Willem van Oranje ondertekende smeekbrieven pleitten voor vergelijkbare doelen als waar de hagepreken die de beeldenstorm uiteindelijk hebben doen laten ontsteken, was de prins ernstig geschokt, maar zijn werkelijke houding tegenover deze catastrofe zou de paleismuren van El Escorial nooit binnenkomen. Willem en de leden van het Verbond der Edelen werden neergezet als schuldigen. De smeekschriften waren niet alleen tegenwerkingen op zijn gezag, dacht Filips II, het was de ontsteking geweest, en hij beschouwde het als hoogverraad van zijn doel tot reiniging. Hij zou het de leden van het Verbond nooit vergeven. Zij hadden zijn goddelijke missie tegengewerkt.
En nadat Willem bericht kreeg dat de koning als reactie de bloeddorstige hertog Fernando Álvarez de Toledo naar het noorden had gezonden om orde op zaken te stellen, vluchtte hij terug naar Dillenburg.
Willem, prins van Oranje, graaf van Nassau-Dillenburg, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, was praktisch blut en zat zo goed als opgesloten in zijn slot, en nadat Alva in Brussel meerdere leden uit het Verbond der Edelen publiekelijk liet onthoofden, ontbrandde er een vuur in de prins. Samen met zijn broers smeedde hij met dat vuur de eerste plannen om de Lage Landen te bevrijden van de wurggreep van de Spaanse bigot.
Drie invasies zouden zich tegelijkertijd afspelen aan de grenzende gebieden van wat tegenwoordig Nederland en Duitsland is—rond Groningen, rond Roermond, en zuidelijker rond Maastricht—maar daarvoor had hij financiële steun nodig. En die leek hem nauwelijks toe te komen.
In een vlaag van wanhoop lieten Willem en zijn broers hun adviseurs alle mogelijke wegen bewandelen. Ze lieten pamfletten schrijven, prenten tekenen en maakten uitvoerig gebruik van de boekdrukkunst om het anti-Spaanse gedachtegoed te verspreiden. Door zijn naam en eer aan te dikken met liederen wist Willem van Oranje vele burgers op te hitsen om een huurleger te vormen dat de Lage Landen zou moeten gaan bevrijden van de Spanjaarden, en onderwijl bewandelden ook zijn financieel adviseurs onconventionele wegen…
Toen, in het voorjaar van 1568, Lodewijk en Adolf van Nassau van slot Dillenburg vertrokken om met het huurleger de Lage Landen binnen te vallen rond Groningen, was de rentmeester van Willem van Oranje nog druk op zoek naar oplossingen voor de financiële noodsituatie. De aanval die Lodewijk en Adolf nu startte werd gefinancierd met eigen middelen en leningen, maar één aanval zou lang niet voldoende zijn voor de bevrijding van de Lage Landen uit de klauwen van de Spaanse koning.
Omdat er nood aan de man was had rentmeester Pieter Zeldenrust uit wanhoop contact opgenomen met Roeland de Oudere, een Duitse hoogleraar die volgens de verhalen banden onderhield met raadgevers aan het Boheemse hof, die mogelijk alchemisten kende. De hoogleraar schreef de rentmeester over een jongeman uit een gehucht nabij Praag, Hradek, die hem recentelijk had bezocht en waarvan hij zeer onder de indruk was wat betreft zijn kennis en kunde in de wetenschap van de alchemie en astrologie.
Nadat de rentmeester een vertaler een brief in het Tsjechisch liet opstellen en die met grote spoed naar Hradek stuurde, ontving hij in het vroege voorjaar van 1568 een antwoord.
De Boheemse jongen beweerde occulte kennis te bezitten, hij had de schatten in de Praagse Burcht gezien, en had vele vergeten manuscripten overgeschreven. In zijn brief schreef hij dat hij de kennis bezat om “tegengestelde absoluten op harmonieuze wijze met elkaar te verzoenen en zo goud te creëren uit dat waar het eerder enkel latent aanwezig was”. Dat alles wilde hij graag doen in de naam van de prins, mits die een instrumentarium en laboratorium voor hem kon organiseren.
De rentmeester was verheugd op dit antwoord, want ondanks dat de eerste invasie in de Lage Landen nu eindelijk was begonnen, waarbij de bezoldiging van de huurlingen enkel in belofte was uitgegeven zodat de kluis van Dillenburg niet geheel leeg kwam te staan, leek de vraag naar geld eentje die nooit werkelijk beantwoord zou worden—zeker als men het op zou nemen tegen het Spaanse Rijk, die met handelsvloten goederen uit de Nieuwe Wereld brachten en voor ongekende hoeveelheden zilver en goud verkochten, waarmee zij hun legers konden spekken.
De rentmeester stuurde de veelbelovende jonge alchemist een formele uitnodiging om naar Dillenburg te komen, en daarnaast stuurde hij een brief naar Lodewijk van Nassau, die de eerste invasie aanvoerde aan het front in de Lage Landen, met nogmaals de vraag om Groningen te bezetten—een discussiepunt dat in Dillenburg veel was besproken en waarvan Willem overtuigd was dat het een slecht plan was—om daar een laboratorium voor de alchemist op te zetten. ‘Zodra wij een alchemist in Groningen hebben gestationeerd, zal de prins verheugd zijn,’ schreef de rentmeester.
Toen na enkele weken reizen de Boheemse jongeman met een kist vol boeken en schrijfwaren bij slot Dillenburg aankwam, diende het nieuws van de winst bij de slag bij Heiligerlee zich toevalligerwijs ook net aan. De rentmeester schreef met spoed een brief aan Lodewijk, waarin hij zijn komst en die van de alchemist aankondigde. In een vlaag van optimisme, en gedreven door de noodzakelijke haast, reisden de rentmeester, de vertaler en de alchemist af naar Groningen, de belangrijkste handelsstad in de noordelijke Lage Landen, en dus een plek waar men eenvoudig aan grondstoffen zou kunnen komen, om aldaar een alchemistisch laboratorium op te zetten.
Lees hier het volgende hoofdstuk!